Levensdrang

"Ik wil je in mij, waar dan ook, zolang het maar in me is. De eenmaligheid van ons samenzijn maakt dat alles betekenis heeft, ik alles wil doen met jou in de kortstondigheid van deze nacht."

 

 

Voor de EWA Nederland workshop van 29 juli 2017, met het thema Science Fiction, schreef ik het verhaal 'Levensdrang'

Het zonlicht scheert laag over het weiland, kaatst af op de dauw en schittert tegen het raam aan waarachter ik toevallig zit. Zo vroeg in de ochtend is het nog niet druk, ik heb voldoende plaats om te zitten met mijn grote weekendtas naast me zonder me schuldig daarover te voelen.

Het boek dat ik gisteren heb gekocht ligt opengeslagen op mijn schoot, maar de vloeiende lijnen van het groene gras, afgewisseld door wuivende korenvelden, blijven mijn aandacht trekken.

‘De oneindigheid van de manifestatiedrang van alles was leeft,’ de zin waarmee ik mijn essay over ‘Levensdrang’ had afgerond, dobbert in mijn gedachten naar boven.

 

Oneindigheid, ik verlang ernaar. Niet dat ikzelf nu streef naar het eeuwige leven. De wetenschap dat er ontelbare tijd voor me bestaat en eindeloos na mij voortduurt, vind ik troostrijk. Dat de tijd tussen mijn begin- en eindpunt slechts een minuscule fractie is in de tijdloosheid van het universum, relativeert de gebeurtenissen in mijn leven nu. Er is altijd weer een nieuwe dag. Nieuwe kaarten, nieuwe kansen.

 

Ik slik een traan weg die achter mijn oogleden duwt. Hij en ik, voor ons is er geen oneindigheid weggelegd. Eén nacht hadden we, een nacht die misschien wel mooier werd omdat we beiden de eindigheid ervan in de periferie van ons genot meedroegen. Ik weet de omstandigheden niet precies, alleen dat het voor ons niet anders is en op hem wachten geen zin heeft. Niet in deze tijd, deze wereld, nee, beter dat ik hem vanochtend heb laten slapen en met al mijn spullen in mijn weekendtas bij hem ben weggeslopen. Ik heb niet eens een briefje achter gelaten, ik weet instinctief dat hij het begrijpt als hij zijn ogen open doet en mij niet naast zich vindt. Alleen de ring die hij me gisteren liet zien heb ik meegenomen. Hij past precies. Hij is gemaakt van vier stalen ringen die aan de onderkant zijn samengesmeed. 

‘Dit is een magische ring Xara, pas hem eens…’ Inderdaad: een krachtige energie trok door de huid van mijn vingers. We lachten, we dronken, we vreeën en alles wat volgde was magisch.

 

Vannacht was zo mooi en zo heerlijk, dat het vanaf daar alleen maar vreselijk zou worden. Zijn handen die terloops mijn billen streelden, de kus die onvermijdelijk volgde, de kleren die we van elkaars lijf trokken, zijn tong met natte sporen op weg naar het kloppende zuigende hart tussen mijn dijen...ik ril even, ik zie het weer voor me. Ik ruik hem nog, hij kleeft aan mijn huid, ieder stukje DNA dat hij op mij en in mij achterliet heb ik geabsorbeerd. Ik denk niet dat er een seconde verloren zal gaan van deze herinnering. Met een bitterzoete glimlach realiseer ik me dat precies de onafwendbare eindigheid van deze nacht maakt dat mijn herinneringen eeuwig blijven bestaan.

 

In the depth of winter, I finally learned that within me lay an invincible summer,’ lees ik in mijn boek, een citaat van een van mijn favoriete schrijvende filosofen Camus. De kracht van deze zin resoneert in het staal van de ring en draagt als een elektrische stroom door mijn lichaam. Mijn reis naar heel ver weg maakt me niet mismoedig. Integendeel, iedere meter die de trein aflegt en me verwijdert van hem, brengt me door de winter heen naar een nieuwe zomer. Ondanks de afstand voel ik me intens met hem verbonden. Ik lees, draai aan de ring die prominent voelbaar aan mijn vinger zit en zigzag met mijn gedachten door de tijd.

 

Jouw gezicht is nat van mijn geil. Je lacht naar me, breeduit, en wrijft je wangen langs mijn lippen zodat ik mezelf proef.  Iedere aanraking met jou initieert een nieuw spel, een nieuw verlangen, een oplaaiende geilheid die niet te stoppen lijkt.

Ik wil je in mij, waar dan ook, zolang het maar in me is. De eenmaligheid van ons samenzijn maakt dat alles betekenis heeft, ik alles wil doen met jou in de kortstondigheid van deze nacht.

Je vingers glijden langs de vochtige vlezigheid van mijn vulva, tot je diep in mij bent. Plagend beweeg op de plaats waar mijn genot zo hoog wordt dat mijn benen en armen en heupen ongecontroleerd meebewegen. Ik wil meer, nog meer, ik zuig je ziel door de toppen van je vingers in mijn hongerige kut en knijp zo hard dat je bijna niet meer uit mij kunt. 

‘Xara, mijn God, je bent zo geil om naar te kijken, je zo te zien,’ zeg je. Ik kronkel slechts als antwoord. ‘Ik wil,’ kreun ik, ‘ik wil je harde pik in mij voelen, toe, toe dan...’

 

Juist op het moment dat hij mij wil enteren en ik mij wijdbeens voor hem openstel, word ik wakker door een plotselinge schommeling van de trein. Mijn ademen is onregelmatig, mijn hart klopt in mijn keel. Ik heb met mijn gezicht op de ring gelegen en ik voel de groeven ervan in mijn gezicht staan. De ring zelf is warm en gloeit.

 

Meine Damen und Herren, wegen eines Unfalls bitten wir Sie aus zu steigen und...., ’ klinkt het blikkerig door de intercom van de Internationale. Ik hoor geschuifel op de gang, coupe’s gaan open en ik hoor mensen roepen.  De abrupte overgang tussen de geile droom en de realiteit hier is zo groot, dat ik niet kan bevatten wat er gebeurt. Een conducteur steekt zijn hoofd door de opengeschoven deur en zegt in streng Duits dialect dat ik echt uit de trein moet.

Aber wie gehe ich weiter Reisen?’ vraag ik ongerust in mijn beste Duits. Hij haalt zijn schouders op en laat me aan mijn lot over. Ik besluit de mensen te volgen die één voor één op een verlaten plattelandsstationnetje het perron opspringen. 

 

Er is hier niets, werkelijk niets. De zomerwarmte heeft ons hier verlaten, slechts een grijze lucht sobert en een koele bergwind blaast door mijn dunne kleding. Ik ben volledig gedesoriënteerd en heb geen idee waar ik ben beland. Mijn medepassagiers zijn opvallend kalm en berustend en lijken te wachten op iets. Na een minuut of tien verschijnt een soort stationschef met vouchers ‘für eine Tasse Kaffee’ maar zonder antwoord op mijn vraag wanneer en hoe wij verder gaan.

Ik heb geen idee waar ik die voucher moet inwisselen, er is hier niets dat op een café lijkt of op een stationsrestauratie. Ik loop naar het einde van het perron en als ik me omdraai zijn mijn medepassagiers ineens verdwenen. Waarheen dan? Wat is dit voor een plaats, zo ingesloten in bergen die ik niet herken? Mijn telefoon heeft geen bereik en ik vind niemand die ik iets kan vragen. Geen station bediende, geen telefooncel. De ring om mijn vinger gloeit. Het huilen staat me nader dan het lachen. 

 

Morgen ga ik terug naar huis en ik kan je niet vragen met me mee te gaan. Als je me morgen verlaat, neem dan iets van mij mee. Of in ieder geval, neem mee wat je mee moet nemen om deze nacht voor eeuwig te laten duren.’ 

Pas nu, terwijl ik naar de ring kijk, denk ik aan die vreemde woorden die hij zei vlak voor we in een droomloze slaap vielen. Mijn billen waren in zijn schoot gedrukt, zijn armen lagen om mij heen, mijn borsten rustten op zijn hand die ertussen lag. Vredig was het, ja, vredig, dat is het goede woord. Alsof we altijd al zo gelegen hadden. Ik nam zijn ring toen ik wakker werd. Met de zoom van mijn rok poets ik wat zweterige vingerafdrukken van het staal.  Hij is nu ongetwijfeld al wakker en ontdekt dat ik weg ben, en ik de ring meenam en dan kleedt hij zich aan en drinkt misschien nog een koffie en dan gaat hij naar huis. Zijn huis waar ik niet mee naar toe kan. 

 

Eerst denk ik dat het door mijn gepoets komt, maar na een paar minuten wordt het staal echt heet. Ik kijk om me heen of er een toilet is om mijn vinger onder de koude kraan te houden en zo mijn reisgezwollen vlees te doen slinken. Er is hier niets, alleen de wind die koel van de bergen hier het dal invalt. Ik rommel in mijn tas of ik misschien nog een flesje water heb. Niets. De ring begint een beetje pijn te doen, de huid eromheen is dik en rood. Ik stop mijn vinger in mijn mond, frummel wat dagcrème uit mijn tasje en smeer dat er omheen in de hoop dat de ring eraf wil schuiven. Het is echter net of deze in mijn huid is vastgegroeid. Ik kijk nog eens goed, hoe de naden lopen op de plaats waar de vier ringen samenkomen. Mijn hart slaat plotseling een slag over: aan de onderkant, waar alles is samengesmolten, zie ik een inscriptie staan. ‘Gregor  Xara > 1895’ staat er. Gregor en Xara, dat zijn wij! Hoe komt dat in die ring, stond dat er al die tijd al in? Was gisteren geen toevallige ontmoeting? Ik ben buiten adem van ontsteltenis, sta op en ijsbeer heen en weer op het perron.  Ik kijk weer: het staat er echt! Paniekerig roep ik om me heen: ‘Hallo, halloooooo! Ist Jemand da? Ik brauche Hilfe! Hilfe Bitte!’

Het enige antwoord is die kloterige wind en mijn eigen holle echo.

 

Ik loop naar de overkant van het perron, waar de treinen de andere kant op gaan. Daar staat een kleine wachtruimte, met glazen wanden en houten bankjes, beschermend tegen de bergwind. De hele situatie maakt me overstuur en duizelig. Als ik eindelijk zit en mijn ademhaling onder controle probeer te krijgen, kijk ik om me heen. Aan de zijmuur hangt naast een enorme klok een affiche, die een tentoonstelling over de ‘stalen revolutie’ aankondigt.  Ik heb nog nooit van een ‘stalen revolutie’ gehoord, bedenk ik me.

Automatisch vergelijk ik de kloktijd met die van mijn horloge. Mijn wijzers staan stil, maar toch geeft de klok twee uren vroeger aan dan mijn horloge. Als ik goed kijk, realiseer ik me dat de klokwijzers andersom gaan, linksdraaiend. Vanaf dat moment komt alles in een stroomversnelling. De klok tikt achteruit en de affiche lijkt tot leven te komen. Het is net of ik naar een televisiekanaal kijk dat wordt verstoord. De ring is nu zo warm dat mijn hele hand pijn doet en ik word zo duizelig dat ik niet rechtop kan blijven zitten. Ik focus me op op de affiche, een houvast in een rondtollende wereld. Het laatste waarvan ik me bewust ben is de hand die uit de donkerrode achtergrond lijkt te komen en me wenkt. Achteraf vermoed ik dat ik ben opgestaan en hem heb vastgegrepen.

 

‘Xara, hé, wakker worden, gaat het?’ Gregor geeft een kusje op mijn voorhoofd. Een zacht, groot kussen ondersteunt comfortabel mijn nek.

‘Gregor!’ zeg ik blij. ‘Gaat het mop?’ zegt hij enigszins bezorgd. ‘Ik weet het niet zo goed. Heb een absurde droom gehad geloof ik,’ zeg ik warrig.

Hij zegt niets en trekt het dekbed dichter om me heen. 

‘Ik zal eerst wat thee voor je maken liefje, dan praten we er zo over.’

Genoeglijk draai ik me om, het bed is warm en donzig en zacht en ruikt naar ons en…

‘Gregor!’ roep ik nu. Ik zit ineens rechtop in bed. 

‘Dit is een ander bed! What the fuck is going on!’ Mijn maag trekt samen. Ik kijk op mijn horloge, zinloos, want het staat nog steeds stil.

‘Je bent in mijn huis liefje,’ zegt hij kalm, te kalm. 

‘Maar dat ging toch niet?’ De herinneringen van gisteren, of wanneer was het, bestormen me. Mijn paniek slaat om in woede. ‘Wat voor spelletje speel je met mij? Heb je mij gedrogeerd ofzo, ontvoerd? Weet je wel wat een klotedroom ik had?’

 

Gregor zucht. ‘Ik zal het je allemaal weer uitleggen liefje. Zo gaat het iedere keer. Rustig nou maar.’ Zijn stem kalmeert me vreemd genoeg en ik leun achterover in het enorme kussen. 

‘Mijn huis staat niet in de wereld waar je nu vandaan komt, maar eentje die er op lijkt,’ begint hij. Waar jouw wereld bezig is ten onder te gaan aan de industriële revolutie, zijn wij op tijd ontsnapt aan de ratrace van altijd meer en beter. Hier hebben we wel een ‘stalen revolutie’ gehad, of eerlijk gezegd, die is nog steeds bezig. We gebruiken namelijk geen energiebronnen meer die de aarde beschadigen. En het staal hier is niet hetzelfde als het staal van waar jij kwam. Het is een levend materiaal, dat ademt en warm en koud wordt. Zoals de ring.’

‘Mijn ring!’ roep ik weer uit. Hij zit nog aan mijn vinger maar doet geen pijn meer.

‘Ja, die ring meenemen was de juiste keuze Xara. Je onderbewustzijn heeft het juiste gedaan. Door de ring vinden we elkaar altijd weer terug. Ik ben je weer komen halen, maar je moet zelf beslissen te springen.’

 

Het gonst in mijn hoofd. Ergens weet ik de antwoorden op vragen die ik nog niet gesteld heb, maar ik heb totaal geen grip op de beelden die verschijnen in mijn brein.

 

‘We studeerden samen, weet je nog?’ Gregor streelt ondertussen mijn arm.
‘Je mocht je toen niet inschrijven op de universiteit, als vrouw bedoel ik, dus je bivakkeerde in mijn laboratorium als mijn assistente en leerde alles wat ik had geleerd. Na de publicatie van het boek ‘De Tijdmachine’ hebben we samen de theorie van de gravitatieput ontwikkelt, remember?’

 

Ik herken wat hij zegt, maar begrijp er niets van. Ik kijk naar zijn hand, die het streelgebied van mijn arm heeft uitgebreid met de aanzet van mijn borsten. MIjn tepels worden stijf, maar de verwarrende herinnering verhindert me zijn strelen te beantwoorden. Het is net of deze herinnering van iemand anders is.

'Wanneer was dat dan? Hoe kom ik nou hier Gregor?'
Uiterst geduldig, alsof hij iets uitlegt aan een demente bejaarde die zijn eigen naam is vergeten, gaat Gregor verder.

‘We hebben samen een machine ontwikkelt, die de gravitatieput opende. We wisten toen nog niet dat de wetten van de relativiteit van Galilei en Einstein maakten dat we niet alleen konden stilstaan in de tijd, maar ook daarin heen en weer konden in de tijdsdimensies. En hoewel we dit nu enkele jaren weten, hadden we niet voorzien dat we ook heen en weer zouden gaan in parallelle werelden. Ik heb ontdekt hoe we kunnen switchen. Begrijp je Xara, we zijn vrij! We kunnen kiezen in welke wereld we zijn, in iedere tijd die we maar willen! Geloof me, je bent nog net zo mooi en zo heerlijk als toen we samen in het lab werkten. Ik ben je komen halen, snap je?’

 

Met het gevoel dat ik in een bodemloos ravijn naar beneden val, luister ik naar zijn woorden en weet dat hij de waarheid spreekt.  Ik herinner me alles, begrijp niets, en geef me over aan het heden, waar en wanneer dat ook moge zijn.

 

Gregor springt op bed en kruipt naast me. Zijn heerlijke lichaam, jong en strak en energiek, vouwt zich om mij heen. Zijn hand, dezelfde hand die naar mij reikte in de wachtruimte van het station en die mij in die andere wereld zo bevredigde, wurmt zich tussen mijn benen. Zoals altijd, al meer dan 122 jaar in de lineaire tijd, reageert mijn lijf direct. Ik spreid mijn dijen om hem toegang te geven en laaf me aan zijn vingers die bij me binnendringen. Mijn verwarring wordt door mijn opwinding opzij geschoven.  Alles is nieuw, alles is vertrouwd, er liggen talloze nieuwe kaarten en kansen op tafel in een spel dat we samen al jaren spelen.

 

‘De oneindige levensdrang,’ denk ik, kreun terwijl hij mijn lustige vreugdetranen met zijn vingers op mijn lippen wrijft en onze eeuwige kortstondigheid proef op mijn tong.

Geschreven voor de workshop van 29 juli 2017 van EWA Nederland, met het thema 'Science Fiction'

Commentaar schrijven

Commentaren: 0