Thewa #6: Eindejaarsfeest

Hoe het komt dat ik de maand december zo worstel weet ik niet precies. Na het donkeren van de dagen, Halloween, Sinterklaas en Kerst hebben we als grand finale Oud & Nieuw. Je zou denken dat het enige feest dat de hele wereld viert, ons verbroedert. Maar ik vind het eindejaarsfeest bij uitstek melancholiek en eenzaam. 

  

Mijn vriendenschare dompelt zich onder in opgeklopte glitterende vrolijkheid (met ‘bubbels’) en mijn familie heeft zich eendrachtig teruggetrokken op een Canarisch eiland; ik blijf liever alleen  thuis.  

Ik overdenk mijn jaar, en alle jaren daarvoor, en de verloren levens en bovenal mijn verloren liefdes. Op het Uur U houd ik heer  Z, mijn hond, bevend in mijn armen, terwijl ik met betraande ogen naar het geldverspillende vuurwerk kijk door het raam van mijn appartement. Daarna masturbeer ik, lang en intensief, met mijn roze Dolfijn als gezelschap, hopend straks in slaap te vallen. Zonder resultaat. Geen orgasme en klaarwakker. 

  

Een lichte waas sneeuw fluistert over de stoep en doet zijn best om wit te blijven.  Er rijden geen trams meer en nu de rook is opgetrokken, steken verlichte en beslagen ramen af tegen de zwarte nacht.  Stelletjes passeren mijn huis, innig gearmd op weg naar een of ander stom feest. Groepjes baldadige jongens gooien nog wat rotjes. Iedere keer als de deur van een café opengaat, stroomt er wanstaltige muziek naar buiten. Golden Oldies Disco Tunes. Ik huiver. 

  

Dan zie ik een donkere figuur, met een lange jas aan en een muts op. Anders dan de rest van de passanten blijven mijn ogen op hem hangen en volgen hem in zijn rustige, bijna schuifelende gang. Voor het café schuin tegenover mij blijft hij staan. Met zijn handen diep in zijn zakken is het net of hij schuilen wil in de schaduw. Doordat hij zijn wang tegen het raam legt, staat hij ineens in het licht en zie ik een doorleefd gezicht en versleten kleding. De deur gaat even open, een paar seconden horen we ‘Saturday Night Fever’ en een luid meezingende massa. De schaduwman trekt zich abrupt terug, geschrokken of in paniek, en strompelt achteruit, zo de stoep af en de straat op.  

  

Slingerende koplampen verlichten hem als een visionaire Jezus als hij met gespreide armen midden op straat staat. De bestuurder probeert hem nog te ontwijken, maar  de auto schampt hem en hij blijft opgerold liggen. Terwijl ik geschrokken toekijk, springen opgeschoten jongens uit de auto, kijken naar hem, vloeken, springen weer in de Golf en gaan er als een haas vandoor. Hoewel het een vertraagde film lijkt, gaat het zo snel dat ik niet eens het kenteken heb genoteerd. Ik kijk naar de schaduwman, hij ligt daar nog, midden op straat.  

  

Ik grijp een deken van de bank en dender de trap af, naar buiten. Ik gooi eerst maar eens de deken over hem heen. Zijn ogen zijn gesloten. De wolkjes uit zijn geopende mond verraden dat hij in ieder geval nog leeft. Erg schoon ziet hij er niet uit, dus ik schud wat aan zijn schouder. 

 “Hé, gaat het? Je kunt niet midden op straat blijven liggen hoor, kom, ik help je overeind.” 

 De schaduwman kreunt een beetje.  

“Het is goed zo hoor, dank je wel, laat mij maar.”  

“Ik wil je wel laten maar dan niet midden op straat oké?” en sjor aan zijn gehavende  jas. Hij weert mijn hand af en gaat langzaam zuchtend rechtop zitten.  

“Is goed, ik ga al”, zegt hij. 

 Zijn stem is zwaar, alsof hij net een doos sigaren in een keer heeft opgerookt.  

Hij klopt de sneeuw van zijn lange jas en geeft me de deken terug. Hij is niet zo lang, zoiets als ik. Achter zijn baard lopen groeven door zijn gezicht. Aan zijn heldere ogen zie ik dat hij jonger is dan hij lijkt. Omdat ik zonder jas naar buiten ben gerend, sla ik de deken nu om mezelf heen en maak aanstalten om terug te lopen.  

“Hé, dame,” zegt hij zacht.  

Ik draai me om. 

“Thanks, for caring”.  

Hij sjokt meer dan hij loopt, mank zelfs. De stoep lijkt te hoog voor hem. Ik aarzel, maar in een vlaag van verstandsverbijstering zeg ik:  

“Waarom kom je niet even bij mij binnen. Maak ik hete koffie voor je, of soep.”  

“Dame, dat is lief. Maar  ‘t is goed zo hoor, dank voor je hulp”.  

 Ook hij maakt nu aanstalten verder te lopen. Ik aarzel weer.  

“Toe nou, het is een kleine moeite, je hebt een flinke smak gemaakt, even bijkomen toch? Het is Oud & Nieuw tenslotte!” 

“Ik heb er de schurft aan, als ik eerlijk ben, dat hele gedoe. Niets dan ijdelheid. Ga gewoon lekker terug naar je feest.”  

Ik schud mijn hoofd.  

“Ik heb geen feest en hou er ook niet van. En het is veel te koud om gewond over straat te lopen. Kom nou maar…”  

Hij laat zich vermurwen ten faveure van mijn misplaatste schuldgevoel en hinkt achter me aan.  

  

Ik leg de deken terug op de bank en vraag of hij koffie, thee of soep wil. 

 “Soep, fijn”, zegt hij.  

Met een dampend bord opgewarmde soep loop ik terug naar de kamer. Hij zit keurig in het midden van de deken, aan de stand van zijn voeten kan ik zien dat zijn knie pijn moet doen.  

“Moet ik even kijken naar die knie?”  

Met nerveus trillende handen neemt hij het bord aan.  

“Ik wil je geen ongemak bezorgen” zegt hij, tussen blazen en drinken door.  

Zijn Nederlands is accentloos, zijn hele houding getuigt van een goede opvoeding.  Er is iets aan hem, iets kwetsbaars, iets veiligs. 

  

Ik ga voor hem zitten en rol voorzichtig zijn broekspijp omhoog. Hij laat me begaan, al volgen zijn ogen argwanend mijn bewegingen. Zijn versleten broek is ooit van een uitstekende kwaliteit geweest –zoals alles aan hem.  De aanblik van zijn gezwollen bleke knie ontroert me en ik leg mijn hand op de zere plek. Schaduwman schuift direct  van mij weg. In zijn beweging schuift de deken mee en ontbloot daarmee onmiskenbaar de grote roze Dolfijn die ik onbezonnen liet slingeren.  

In schaamte wil ik mijn zonde bedekken, wegpakken, alsof het er nooit heeft gelegen. Schaduwman is me voor. Hij pakt de Dolfijn op en draait hem rond in zijn hand.  

“Dus dit is jouw eindejaarsfeestje?” vraagt hij, zonder spoor van ironie, eerder verbaasd.  

Ik zou nu het liefst onder de grond verdwijnen. Schaduwman kijkt serieus en begint te praten: 

  

“Het leven op straat is op zich niet slecht. Het was stomme pech dat ik er belandde. Ooit was ik bankier en na de val van de banken verloor ik mijn baan. Ik had wel wat reserve opgebouwd, maar ook een peperdure hypotheek en een spilzieke frigide  vriendin. Beiden was ik binnen een half jaar kwijt, een berg schulden rijker. Ik verhuisde naar een flatje op Zuid, met een uitkering, maar de schuldeisers bleven komen. Een paar maanden geleden kon en wilde ik het niet meer bolwerken en heb ik het vrije leven opgezocht. Het enige wat ik echt lastig vind, is het gebrek aan privacy om..nu ja…om dat te doen wat jij met je Dolfijn doet. Soms is het verlangen naar...genegenheid...zo groot, dat ik het straatleven vervloek. Maar nu ik hier zit, geloof ik dat die eenzaamheid niet verbonden is aan mijn soort leven. Zo te zien ben jij net zo alleen, hier in je knusse appartementje, dat je met een bibberende hond en een roze Dolfijn Oud & Nieuw viert.”  

  

Aangedaan pak ik de roze Dolfijn uit zijn handen en leg deze uit het zicht. Schaduwman streelt mijn wang, met nog steeds die serieuze blik in zijn prachtige ogen. Ik verzuip er in, die ogen. Onweerstaanbaar aangetrokken door zijn zachte aanraking, kus ik zijn vingertoppen. Het is net of er iets breekt, in ons allebei. Binnen een paar minuten gaat het van vingertop, naar handpalm, naar monden en lippen, naar zoekende tongen. Hij zuigt me naar binnen, zijn zachte mond in, zijn magere lichaam smelt het mijne. Met grijpende ongeduldige handen rukken wij elkaars kleding uit, alsof de wereld zal vergaan en er geen tijd te verliezen is. Geen voorspel, geen verleiding, slechts een rauwe hunkering drijft ons over de rand van het aanvaardbare. Ik wil hem in mij voelen, hij wil in mij zijn. Als bezeten neuken we, gewoon op de grond. Ik voel een intense voldoening, met zijn warme stijve pik in mij en mijn benen om hem heengeslagen. Er wellen tranen in mijn ogen als ik zijn gespierde billen onder mijn handen voel pompen. Dit is niet te stoppen, een op drift geraakt schip in een kolkende woestenij. Met een oerkreet leegt hij zijn ziel in mij en ik ga met hem mee, de eindeloze zee in, verdrinkend in een lust die boven alle emotie is verheven. 

  

 “Ik voel me een ander mens, lieve dame!” fluistert hij. Ik streel zacht zijn gladde rug.   

Ik kijk op de klok: het is half 3.  

“Wil jij even slapen? Kan zo extra dekens pakken hoor, slapen we lekker hier.”  

“Nee, ik wacht wel, ik ben gewend de hele nacht wakker te blijven. Maar als jij wilt….ik zal me netjes gedragen en over je waken.”  

Ik geloof hem.  

 

Commentaar schrijven

Commentaren: 7
  • #1

    Rolf van der Leest (zaterdag, 19 december 2015 15:16)

    Vrouwe Daen,

    Een mooie brug van psyche naar lust!

    Dit lezende verdwijnt mijn afkeer van oud en nieuw als sneeuw voor de zon en maakt plaats voor de wens dat het jaar elke dag verjaart!

    Groet, Rolf van der Leest

  • #2

    J.M.Limewood (zaterdag, 19 december 2015 21:33)

    Mooi verhaal!

  • #3

    luckyman (zaterdag, 19 december 2015 22:53)

    Liza, dank je voor dit mooie verhaal met begrip voor de erotiek van mensen die door het leven gehavend zijn. Mooie beschrijving van het legen van de ziel op het hoog(s)te punt!

  • #4

    Antoinette (woensdag, 23 december 2015 15:59)

    Wat een prachtig, ontroerend verhaal! Een juweeltje!

  • #5

    Joradam (zaterdag, 02 januari 2016 13:21)

    Alweer zo'n prachtig verhaal Liza, het wordt bijna gewoon.

    Maar het is zo bijzonder, dankjewel.

  • #6

    Ge de Schreijver (maandag, 04 januari 2016 15:47)

    Mooi verhaal! Herkenbaar hoe jij deze zogenaamde 'feest'dagen omschrijft.

  • #7

    Nannon (zondag, 24 januari 2016 00:42)

    Kwetsbaarheid, eenzaamheid en een intiem samenzijn op een erg sensuele wijze, dat komt allemaal samen in dit verhaal! Prachtig.